Grote Kerk eerste kazerne

1850 – 1899: van vier brandspuithuizen naar centraal punt

In de tweede helft van de 19e eeuw verandert de Goese brandweer langzaam van opzet. De vier spuithuizen verdwijnen en het brandweermaterieel wordt geconcentreerd op één centraal punt in de binnenstad. Tegelijkertijd blijven grote branden de stad op de proef stellen, zoals de verwoestende brand in de stoommeelfabriek De Vos. In dit artikel volgen we de brandweerorganisatie van 1850 tot 1899, een periode van groei, nieuwe regels en ingrijpende incidenten die de brandweer van Goes vormgaven.

1 januari 1850 – 31 december 1899

In 1850 telt Goes 5.298 inwoners. De stad maakt in de tweede helft van de 19e eeuw een duidelijke groeifase door. Met de aanleg van de spoorlijn Bergen op Zoom–Goes in 1868 en de verbinding met Middelburg in 1872 ontwikkelt Goes zich tot een belangrijk verkeersknooppunt in Zeeland. De oude stadspoorten verdwijnen één voor één om de stad beter bereikbaar te maken voor het toenemende verkeer.

Tegelijkertijd ontstaan er nieuwe brandrisico’s. De opkomende meekrapnijverheid brengt een reeks meestoven en garancinefabrieken met zich mee. De in 1853 opgerichte fabrieken ‘Stad Goes’ en ‘Zuid-Beveland’ bieden samen werk aan zo’n vijftig tot zestig arbeiders. Ze vormen daarmee een nieuwe bron van bedrijvigheid, maar ook van brandgevaar.

De invoering van de Gemeentewet van 1851 verandert intussen de organisatie van de brandweer. Vanaf dat moment zijn de gemeentebesturen verantwoordelijk voor de inrichting en financiering van hun brandweerkorps. Bij brand is de burgemeester voortaan formeel belast met het opperbevel. Een regeling die de basis vormt voor de moderne brandweerorganisatie.

Branden in de jaren 1850

In 1852 werd Goes getroffen door twee grote branden. In de vroege ochtend van 4 oktober 1852 brak brand uit in de ‘Fabriek der Zeeuwse Maatschappij van Meekrapbereiding’ in de Wilhelminapolder. Ondanks alle inspanningen stonden de maalkamer en de builzolder al snel in lichterlaaie en waren niet meer te redden. Brandspuiten uit Wilhelminadorp, Kloetinge en Goes rukten uit om de vlammen te bestrijden. Ook de spuit uit Wemeldinge kwam ter plaatse, maar hoefde uiteindelijk niet in actie te komen. Een dag later spraken Burgemeester en Wethouders van Kattendijke hun waardering uit voor de kordate en doelmatige inzet van de Goese brandweer.

Pakhuisbrand bij Pilaar

Nog geen maand later, in de nacht van 19 op 20 oktober, brak er opnieuw brand uit. Ditmaal in het pakhuis en de werkplaats van koopman en tabakskerver Pilaar in de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat. Het vuur greep razendsnel om zich heen en verwoestte het gehele pakhuis, dat direct achter zijn woonhuis stond. Binnen lag een aanzienlijke voorraad opgeslagen: tabak, suiker, siroop en koffiebonen gingen volledig verloren. Dankzij de gunstige ligging van het vrijstaande gebouw en de windstilte bleef de brand echter beperkt tot het pakhuis. Zo werd een groter onheil voorkomen.

In de nacht van 5 op 6 juni 1854 brak brand uit in Kloetinge. Het betrof een leegstaand huis. De vlammen dreigden al snel over te slaan naar de naastgelegen winkel en woning van timmerman Vos. De Keetspuit en de Voorstadspuit van de Goese brandweer rukten uit om hun collega’s in Kloetinge te ondersteunen. Ook de spuit van de Wilhelminapolder en de dorpsspuit van Kapelle kwamen ter plaatse.

Ondanks de gezamenlijke inspanning konden het leegstaande huis en de winkel niet worden gered — beide gingen volledig in vlammen op. Dankzij het snelle optreden van de brandweerlieden werd echter voorkomen dat ook de aangrenzende woning verloren ging. Dat gebeurde letterlijk op het nippertje: het beschot van de bedstede waarin de kinderen lagen te slapen, stond al te roken.

Het gemeentebestuur van Kloetinge sprak nadien zijn grote waardering uit voor de hulp uit Goes. In hun dankbrief staat dat er“even snel als doelmatig aangebrachte hulp” was verleend.

Branden bij Saaymans Vader

In de zomer van 1858 rapporteerde de brandweerdirectie over twee opeenvolgende branden in het pand van de heer Saaymans Vader. De eerste brand bleek nog onschuldig: slechts een stapel boeken had vlam gevat. Enkele dagen later volgde echter een tweede incident, dat aanvankelijk een ernstiger omvang leek te hebben.

Na het luiden van de brandklok werden de spuiten met grote spoed naar de plaats van het onheil gebracht. Spuit 1 werd direct ingezet, terwijl de overige drie spuiten stand-by bleven. Dankzij het snelle optreden kon het vuur snel worden bedwongen. Bij onderzoek na afloop bleek dat de brand was ontstaan op een bovenkamer aan de zuidzijde van het pand, bij een bedstede. Deze was gedeeltelijk verbrand, evenals een bed en een stoel.

Van nachtwacht naar politiewacht

Na de brand bij firma Pilaar in 1852 uitten de generale brandmeesters hun zorgen over de nalatigheid van de nachtwakers. Ze waren namelijk te laat gewekt. In maart 1853 werd daarom een einde gemaakt aan de eeuwenlang bestaande nachtwacht. Deze verandering hing samen met het nieuwe belastingstelsel en de uitbreiding van de stedelijke politie.

Het politiepersoneel in Goes bestond inmiddels uit de commissaris en zeven agenten. Hun wachtruimte werd gevestigd in het pand op de hoek van de Grote Markt en de Korte Kerkstraat. De wachtkamer was 24 uur per dag bemand, waardoor de agenten de taken van de oude nachtwacht konden overnemen en de stad ‘s nachts beter in de gaten werd gehouden.

Branden in het Goese havengebied

Op 17 februari 1854, tussen vier en vijf uur in de ochtend, brak brand uit in een droogtoren van de meekrap- en garancinefabriek ‘Zuid-Beveland’. Het vuur verspreidde zich razendsnel naar de tweede toren. Met een donderend gerommel stortte één van de gewelven naar beneden. Ondanks de woeste wind, die het vuur leek aan te wakkeren, wisten de brandweerlieden erger te voorkomen. Verdere overslag bleef beperkt. De brand werd bestreden door de vier Goese brandspuiten en de brandspuit van de Wilhelminapolder. Tegen één uur ’s middags was de brand aan de oostzijde van de haven volledig geblust.

Omdat de branddirectie van mening was dat de beschikbare blusmiddelen niet voldoende waren voor de nog smeulende resten, bood zij de directeur aan om één of twee brandspuiten in een van de bijgebouwen van de fabriek in gereedheid te plaatsen. De directie zag hiervan echter af. Naar aanleiding van deze brand besloot de fabriek kort daarna een eigen brandspuit aan te schaffen.

Die nieuwe fabrieksspuit werd op dinsdagmiddag 29 oktober 1854 direct ingezet bij een brand bij de buren. Tussen twee uur en half drie brak er brand uit in de garancinefabriek ‘Stad Goes’ van dr. Van Renterghem. Naast de fabrieksspuit waren slechts twee aanbrengers van de Nieuwe- en Grote Brandspuit aanwezig om het vuur in de droogoven te bestrijden.

Gemeentelijke samenwerking

Op 16 maart 1855 sloten de gemeenteraad van Goes en de raden van ‘s-Gravenpolder, ‘s-Heer Abtskerke, ’s-Heer Arendskerke, ‘s-Heer Hendrikskinderen, Kattendijke, Kapelle, Yerseke, Wemeldinge en Kloetinge een regeling om een verordening vast te stellen voor ‘gemeenschappelijk en wederzijds hulpbetoon bij brand’. Later verklaarden ook de gemeenteraden van Kruiningen, Schore en Wolphaartsdijk zich bereid zich bij deze regeling aan te sluiten.

Daarnaast stelde de gemeenteraad van Goes in juni 1855 een ‘Reglement op het Brandwezen’ vast. Hiermee waren de organisatie en verantwoordelijkheden van de stedelijke brandweer officieel vastgelegd.

De Grote Kerk als brandweerkazerne

In 1856 verhuizen alle brandspuiten richting de binnenstad. De verhuizing was niet ingegeven door de bouwvalligheid van de oude spuithuizen, maar vooral door de wens om blusmiddelen en de brandweerorganisatie te concentreren op één plek.

De vier brandspuiten worden opgesteld in een speciaal ingericht en afgesloten gedeelte van het koor van de Grote Kerk, in de zogenaamde wandelkerk. Deze wandelkerk diende als openbare doorgang van de Kreukelmarkt naar de Korte Kerkstraat. De wandelkerk was met een muur gescheiden van het koor, de preekkerk. De toestand van de kerk was slecht. Ruiten waaiden stuk, water sijpelde naar binnen, en met de komst van de brandspuiten verslechterde de situatie alleen maar. Brandslangen hingen over de kapbinten te drogen en het brandweermaterieel gaf de wandelkerk het uiterlijk van een pakhuis.

Het spuithuisje en de omliggende bebouwing aan de Oostpoort werd afgestaan aan de Staat, die hier het nieuwe Huis van Arrest wilde bouwen. Het spuithuis bij de ‘s-Heer Hendrikskinderenbarrière werd door de gemeente verbouwd tot telegraafkantoor.

In december 1855 verkocht het gemeentebestuur ook het oude brandspuithuisje bij Voorstad kavel E 108, de vroegere standplaats van de Voorstadspuit. De eigenaar van de grond, de heer Harinck, bood hier 150 gulden voor. In 1866 werd het spuithuis uiteindelijk gesloopt om plaats te maken voor een arbeiderswoning.

Brandweerorganisatie in 1860

In de jaren 60 van de 19e eeuw was de brandweerorganisatie van Goes al indrukwekkend gestructureerd. Ze bestond uit:
• 2 generale brandmeesters
• 4 brandmeesters
• 8 onderbrandmeesters
• 16 tellers
• 4 boden
• 360 manschappen
Zo’n groot korps was nodig om de stad effectief te kunnen beschermen tegen branden

Vier brandspuiten

De brandblusmiddelen bestonden uit vier stel brandspuiten. Eén stel bestond uit twee pompen, waarvan één als aanjager of zuigpomp werkte en de andere als perspomp voor de blussing. Duidelijk was dat er voor de operationele taken van de brandweer in die tijd opvallend veel mensen nodig waren. In de eerste plaats waren er de vrijwilligers, maar daarnaast ook alle mannelijke ingezetenen van de stad tussen 31 en 55 jaar. Zij werden door de gemeente ingeschreven in het ‘Register voor de Dienst der Brandweer’. Het uiteindelijk benodigde personeel werd door loting aangewezen, terwijl een commissie van onderzoek zich boog over het verlenen van vrijstellingen. Burgers konden ook vrijstelling verkrijgen door het betalen van een afkoopsom.

Regelmatige oefening was van levensbelang, meestal vier keer per jaar. Maar het gebruik van de spuiten was beperkt tot maximaal drie uur per oefening. Desondanks uitte de Goessche Courant met enige regelmaat zijn bezorgdheid over de gebrekkige geoefendheid van het korps.

Om de organisatie op het veld zo overzichtelijk mogelijk te houden, kreeg elk manschap een nummer dat verwees naar de afdeling en de brandspuit waartoe hij behoorde. Deze nummers, samen met penningen en andere onderscheidingen, moesten altijd goed zichtbaar op de borst worden gedragen. Zo ontstond een structuur die niet alleen discipline uitstraalde, maar ook hielp bij de coördinatie tijdens de hectische momenten van een brand.

Dorpsspuiten

De gemeente Goes was in die tijd nog niet zo groot als tegenwoordig. De omliggende dorpen vormden elk hun eigen gemeente, met een zelfstandige brandweerorganisatie. Zo beschikte Kloetinge over een eigen brandspuit, terwijl de gemeente Kattendijke spuiten had in Kattendijke en de Wilhelminapolder. In Wolphaartsdijk stond één spuit in Oostkerke en twee in Oud-Sabbinge. De brandweer van ‘s-Heer Arendskerke had spuiten in ‘s-Heer Hendrikskinderen, ‘s-Heer Arendskerke, Nieuwdorp en Lewedorp.

Blikseminslag toren Kloetinge

Op 13 maart 1861 werd het dorp Kloetinge door een zware regenstorm met onweer getroffen. Plotseling sloeg de bliksem in op de toren van de kerk en brak er brand uit. Dankzij het snelle optreden van de brandweer kon het vuur snel worden bedwongen en bleef de schade beperkt. Toch viel er een tragisch slachtoffer: de oude boer Remijnse, die in de pastorie aanwezig was, werd door de schrik getroffen en overleed ter plaatse.

Het was overigens niet de eerste keer dat de toren in brand stond. Ook in februari 1742 ontstaat er ‘s nachts brand door blikseminslag in de toren van Kloetinge. De 65 meter hoge kerktoren van Kloetinge is gebouwd in 1494. 

Voorstadbrand

Op 17 januari 1864 brak er een felle brand uit in de Voorstad. De pastorie van dominee Drost, predikant van de Hervormde gemeente in Goes, werd volledig verwoest, samen met een naastgelegen pand. Het vuur was zo hevig dat verbrandde resten van preken en brieven zelfs aan de andere kant van de stad werden teruggevonden.

Lees hier meer over de brand bij dominee Dorst

In 1868 brak er brand uit bij ‘Meestoof De Zon’, gevolgd door een incident in 1871 bij de ‘Meestoof Stad Goes’. In 1877 hielpen de Goesenaren niet onopgemerkt bij een brand in Kapelle. Later, in 1888, brandde een woning aan de Korte Vorststraat volledig uit.

Brand der Stoommeelfabriek

In december 1888 sloeg het noodlot opnieuw toe: de ‘Stoommeelfabriek De Vos’ van de firma Kakebeeke ging tot de grond toe in vlammen op. Deze brand geldt ongetwijfeld als de grootste brand in Goes van de 19e eeuw, een gebeurtenis die de stad diep trof.

Lees hier meer over de brand in Kapelle
Lees meer over de brand in de stoommeelfabriek Kakebeeke

In april 1890 brak er brand uit bij de boerderij van Geense aan de Voorstad. Het vuur, ontstaan door een ongeluk met een lamp, eiste het leven van twee kalveren en drie varkens.

Het jaar daarop, in 1891, verwoestte een brand het op hout gebouwde fotografisch atelier Elzinga in de Van der Spiegelstraat volledig. Dankzij snel optreden van de brandweer kon overslag naar de naastgelegen woning worden voorkomen. De brand was ontstaan door een ontploffing in de donkere kamer van het atelier, een dramatisch incident dat de kwetsbaarheid van zulke werkplaatsen benadrukte.

Kadebrand luidt reorganisatie in

De grootste verandering in organisatie en materieel van de Goese brandweer voltrok zich aan het begin van de 20e eeuw. Na een chaotische uitruk bij een brand aan de Kleine Kade werd besloten een motorspuit aan te schaffen. Voor deze spuit waren aanzienlijk minder manschappen nodig, waardoor het korps kon inkrimpen en verder kon functioneren als een vrijwillig korps.

De periode 1850–1899 laat zien hoe de Goese brandweer zich langzaam professionaliseerde te midden van industriële groei en nieuwe brandrisico’s. Met reglementen, verordeningen en centrale opstelplaatsen werd de organisatie steviger, maar de echte veranderingen stonden nog voor de deur. In de volgende periode, van 1900 tot 1919 breekt de eerste wereldoorlog uit, wordt de plichtbrandweer vervangen door een vrijwillig korps, en brengt de komst van de waterleiding een ingrijpende modernisering van het materieel met zich mee. Het is de start van een nieuwe, efficiëntere fase in de geschiedenis van de brandweer in Goes.

Lees hier meer over de brand aan de Kleine Kade
Lees meer over de brandweer in Goes van 1900 tot 1919
Gemeentearchief Goes
HistorievanGoes.nl
Kroniek Goese Brandweer
Krantenbankzeeland.nl
Goes, stad van plattelandsgemeenten in verleden tijd, door A.J. Barth en F.H. de Klerk
Korte geschiedenis van de Grote of Maria Magdalena Kerk, kerkorgel en carillon te Goes, door F. van Dijk en J.H. Kluiver
Abonneer
Laat het weten als er
guest

1 Comment
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
Don`t copy text!
Scroll naar boven