Reorganisatie met modern materieel

1900 – 1919: Motorbrandspuit doet zijn intrede

Het begin van de twintigste eeuw bracht ingrijpende veranderingen voor de brandweer in Goes. Modern materieel maakte zijn intrede, nieuwe organisaties werden opgericht en voor een korte periode waren er zelfs twee korpsen actief in de stad. In dit artikel volgen we de ontwikkeling van de brandweer van de vroege jaren 1900 tot de nasleep van de Eerste Wereldoorlog, wanneer Goes zich langzaam voorbereidde op een nieuwe periode van onzekerheid.

1 januari 1900 – 31 december 1919

Rond 1900 telde de stad Goes 6.923 inwoners. De stad had toen nog haar compacte, historische kern, met daarbuiten vooral akkers en weilanden. Pas in 1917 kwam de uitbreiding van Goes echt op gang. De gemeenteraad stelde toen Bouwplan I vast voor het gebied tussen de Voorstad en het station, en Bouwplan II voor de uitbreiding in Goes-West. Daarmee begon een nieuwe fase in de stedelijke ontwikkeling.

In 1913 verrees de markante watertoren, een belangrijk symbool van vooruitgang. De landbouw en handel vormden tot het einde van de Eerste Wereldoorlog de ruggengraat van de Goese economie. Dankzij de bloeiende landbouw kende ook de middenstand een sterke periode, terwijl de industrie nog nauwelijks betekenis had.

De aanleg van de waterleiding en de komst van elektriciteit zorgden voor grote veranderingen. Niet alleen in de huishoudens verbeterden de levensomstandigheden, ook voor de brandweer betekende dit een stap vooruit. De nieuwe voorzieningen maakten het blussen efficiënter en veiliger, wat de brandbestrijding in Goes blijvend zou beïnvloeden.

Branden binnenstad

Op 29 april 1901 brak er een verwoestende brand uit in het pakhuis van Van der Reit aan de Keizersdijk. Het bedrijf handelde in lompen en brandstoffen, waardoor de vlammen razendsnel om zich heen grepen. Terwijl het personeel op de vroege maandagochtend op de benedenverdieping aan het werk was, laaide de brand op de verdieping daarboven op. Toen de eerste brandspuit arriveerde, sloegen de vlammen al metershoog uit het gebouw. De brandweer concentreerde zich op het redden van de naastgelegen panden. Woningen werden kletsnat gespoten en de inboedel uit voorzorg geëvacueerd. Bij het pakhuis Van der Hoek werden enkele petroleumvaten in allerijl verwijderd, maar twee magazijnen gingen volledig in vlammen op. De brandweer worstelde nog de hele dag met het nablussen.

In 1902 zorgde een brand in café Ravelijn voor het volledig uitbranden van de kelder. De situatie werd verdacht geacht: eerder waren de sleutels van de kastelein gestolen en na de brand bleek er drie gulden uit de kassa verdwenen te zijn.

Brand kledingwinkel Thewes

Op 9 februari 1905, om half negen ’s ochtends, sloegen dikke zwarte rookwolken boven het stadhuis uit. In de Lange Kerkstraat stond het huis en winkelpand van de heer Thewes in brand. De brand was ontstaan doordat op de boven-voorkamer een bed bij de kachel te drogen was gelegd. Binnen korte tijd stond de gehele bovenverdieping in lichterlaaie. De eerste en tweede brandspuit stelden zich op in de Lange Kerkstraat, terwijl twee andere spuiten vanaf de Korte Vorststraat blusten. Er werd ook gewerkt vanaf ladders tegen de gevel van het brandend pand en spuitgasten klommen op belendende percelen om van bovenaf te blussen. Rond 10 uur was de brand onder controle.

Kadebrand

Dat het blussen niet altijd soepel verliep bleek bij een brand aan de Kleine Kade in februari 1906. De media sprak schande van de brandweer, al bleek achteraf dat het krantenartikel met een korreltje zout genomen moest worden. Voor het bestuur van de brandweer was het echter te laat. Hoewel ze aanvankelijk probeerden de schuld op de politie af te schuiven, dienden zij later hun ontslag in. De gemeenteraad overwoog daarna of vrijwilligers de taken van burgers en schutters bij de brandweer konden overnemen.

Lees hier meer over de brand aan de Kleine Kade

Oprichting Goesche Vrijwillige Brandweer

Op 1 mei 1906 was het zover: de vereniging Goesche Vrijwillige Brandweer (GVB) werd officieel opgericht. Er werd een bestuur en een officierscorps benoemd, en er werden sponsoren gezocht om een motorspuit aan te schaffen. Het werven van leden verliep voorspoedig; er meldden zich maar liefst 30 gegadigden, ruim voldoende. Voor de nieuwe motorspuit waren 16 man nodig, voor het lopen van brandwachten waren 6 man nodig. De brandwachten deden dienst om orde te handhaven en bij calamiteiten de straat af te zetten. De burgemeester werd benoemd tot erelid van het gezelschap.

In de statuten werd vastgelegd dat er maandelijks geoefend moest worden, en dat afwezigheid bij de oefening met 2,50 gulden werd beboet. De spuitgasten kregen allen een uniformpet, terwijl de pijpleiders een helm en jas ontvingen. De duur van de vereniging werd officieel vastgesteld op 29 jaar en 8 maanden. Maar die termijn zou nooit volledig worden bereikt.

Twee brandweerorganisaties

De gemeentelijke brandweer had eveneens niet stilgezeten. Na het ontslag van de leiding na de Kadebrand trad een nieuw kader aan, dat echter niet op de hoogte was van de oprichting van de Goesche Vrijwillige Brandweer door de jonge garde. Bij branden rukten daardoor voortaan twee brandweren tegelijk uit: het GVB-korps met hun motorspuit en de gemeentelijke plichtbrandweer met de vier handspuiten, elk onder commando van hun eigen korpsleiding.

De aanwezigheid van twee parallelle organisaties leidde op elk raadoverleg tot discussie. Er werden verschillende opties besproken, zoals het opheffen van de plichtbrandweer of het samenvoegen van de twee korpsen. In oktober 1906 werd voorgesteld om de volledige brandweerorganisatie uit vrijwilligers te laten bestaan. Dit zou echter alleen mogelijk zijn als er, ter vervanging van de handspuiten, een tweede motorspuit zou worden aangeschaft. De financiële commissie van de gemeente ging hier niet mee akkoord en stelde eerst te willen beoordelen of de recent aangeschafte motorspuit voldeed aan de verwachtingen. Daarnaast pleitte de commissie voor een aanpassing van de verordening, zodat de brandweerzaken op papier goed geregeld zouden zijn voordat verdere stappen werden gezet.

Eerste uitruk motorspuit

In de winter van 1906 rukt de nieuwe motorspuit voor het eerst uit. Er was opnieuw brand in de binnenstad, ditmaal bij het pand van herbergier Wolff in de Lange Vorststraat. De spuit van de Goesche Vrijwillige Brandweer werd opgesteld bij de veste en moest via een gat in het ijs water oppompen. Helaas waren de gaten te dicht bij de kant gemaakt, waardoor de spuit vooral modder binnenkreeg en de pomp meerdere keren vastliep. Ondanks deze problemen brandde het hotel volledig af, maar de naastgelegen winkels van Bitter en De Ligny bleven behouden. De motorspuit kreeg ondersteuning van twee gemeentelijke handspuiten.

Reddingsbrigade

Eind 1906 breidde de gemeente de brandweercapaciteit verder uit door de aanschaf van een mechanische reddingsladder voor reddings- en bluswerkzaamheden. Tegelijkertijd werd een reddingsbrigade opgericht, die de ladder bediende en bij toekomstige incidenten kon uitrukken.

Lees hier meer over de eerste motorspuit van brandweer Goes
Lees meer over de mechanische ladder

Precies een jaar na de oprichting ging de Goesche Vrijwillige Brandweer uiteindelijk op in de gemeentelijke organisatie. Op 26 april 1907 hielden de vrijwilligers hun laatste verenigingsavond. Het materieel en personeel waren inmiddels al in gemeentelijke dienst gekomen. Later dat jaar werd de nieuwe organisatie officieel vastgelegd in de ‘Verordening op het Brandwezen’. Hierin werd bepaald dat de gemeentelijke brandweer zowel vrijwilligers als aangewezen actieve en reserve dienstplichtigen in dienst had.

Brandpiket

In 1908 werd een brandpiket ingesteld. De motorspuit had voortdurend piket, net als één van de handspuiten, die om de beurt dienst deed. De overige twee handspuiten stonden stand-by in de Wandelkerk, klaar om uit te rukken zodra assistentie werd gevraagd of een bevel tot uitrukken werd gegeven.

Meerdere bewaarplaatsen

Het brandweermaterieel was verspreid over meerdere locaties in de stad. In de Wandelkerk stonden de drie oude handbrandspuiten, elk bestaande uit een aanbrenger en een perspomp, aangevuld met een slangenkar op veren. Onder het Stadhuis, in de Waag, bevond zich het materieel van de voormalige GVB: de motorbrandspuit en een slangenwagen. In de Koopmansbeurs aan de Grote Markt stonden de mechanische ladder en een uitschuifbare handladder.

In 1910 werden twee van de drie handspuiten proefgewijs naar het Stadhuis verplaatst. De Wandelkerk was stoffig en daardoor niet ideaal voor het materieel. De Waag van het Stadhuis bleek echter te vochtig, wat slecht was voor het touw- en leerwerk, de slangen en de metalen onderdelen van de spuiten. Uiteindelijk keerden de handspuiten weer terug naar de Wandelkerk.

In 1911 werd de tweewielige haspelwagen aangepast tot een driewielig voertuig. Het verplaatsen van de wagen over grotere afstanden bleek tot dan toe te zwaar, maar met het extra wiel werd dit probleem opgelost.

Gewonden bij brand La Vitesse

Op de nacht van 17 mei 1907 brak er brand uit bij de stoomhoutzagerij La Vitesse. Toen de spuitgasten het pand betraden, stortte de topgevel plotseling in. Vier mannen raakten gewond. Twee hadden lichte verwondingen, maar Jos Witkam brak zijn been en werd met een brancard afgevoerd. Spuitgast Van de Reit raakte gewond aan zijn hoofd en was even buiten bewustzijn. Twee collega’s droegen hem naar de dokter. De brand was ontstaan in de stookplaats bij het ketelhuis van de houtbewerkingsfabriek. Dankzij de snelle inzet bleef de schade beperkt en kon de fabriek de volgende dag alweer open.

In juni 1908 brandde een houten bergplaats achter bakkerij Noordhoek in de Sint-Jacobsstraat. Drie handspuiten en de motorspuit blusten het vuur. Later dat jaar volgde een ernstige brand in een schuur en wagenhuis achter café Tivoli aan de Stationsstraat. De schuur, volgestapeld met stro, brandde hevig en het vuur sloeg over naar het café en woonhuis van eigenaar Peeman. Het geheel brandde volledig af. Peeman kon op tijd vluchten, maar een geit die aan de schuur stond overleefde de vlammenzee niet.

Brand stukadoor Van de Waart

In november 1909 verwoestte een brand aan de Westsingel E527 volledig. Het huis is van stukadoor en ornamentist Van de Waart. Hij was bij het uitbreken van de brand in de tuin aan het werk met zijn knecht. Zijn vrouw was om boodschappen en de kinderen naar school. Ondanks de inzet van de brandweer is er niets meer te redden. Overlsag naar de buren kon wel op het nippertje voorkomen worden. De motorspuit zette twee stralen water in, Spuit I zorgt voor een derde straal.

Op de late avond van 26 mei 1911 brak brand uit in het magazijn van Jacobs aan de Nieuwstraat. Omdat het magazijn vol hooi en stro lag, rukte de Goese brandweer met groot materieel uit. De motorspuit werd aan de achterzijde opgesteld, zodat water uit de brandput van de Westvest kon worden opgepompt, terwijl de handspuiten aan de voorzijde het vuur bestreden. Het belendende vastgoed werd natgehouden en na een uur had de brandweer het vuur onder controle. Een spuit bleef nog nablussen. Overslag naar de buren werd voorkomen, maar de zolder brandde volledig uit en de benedenverdieping liep grote waterschade op.

Einde dienstplicht door waterleiding

Tot 1913 gold in Goes een burgerdienstplicht voor de brandweer. Alle volwassen mannen tussen de 32 en 55 jaar waren verplicht om bij brand te helpen. Wie niet kwam opdagen, kreeg een boete opgelegd. In een gemeentelijke verordening was nauwkeurig vastgelegd hoe de organisatie bij branden en oefeningen moest verlopen. Naast de brandweerleiding stonden maar liefst 400 manschappen paraat, aangevuld met 40 reservisten.

In 1910 werd de ‘Waterleidingmaatschappij Zuid-Beveland’ opgericht, en drie jaar later, in 1913, werd het waterleidingnet officieel in gebruik genomen. Voor de brandweer betekende dit een grote vooruitgang. Het materieel en de inzettactiek werden aangepast aan het nieuwe systeem. Er werden twee slangenwagens aangeschaft bij de Amsterdamse brandspuitfabriek ‘Otterbein & Co’, voor 412,50 gulden per stuk. Met deze wagens kon voortaan direct water uit de waterleiding worden gebruikt, zonder tussenkomst van een pomp of spuit. Dat bespaarde niet alleen kostbare tijd, maar ook mankracht. De oude handbrandspuiten raakten daardoor snel overbodig. Er waren zelfs plannen om Spuit III om te bouwen tot waterreservoir, zodat de motorspuit bij lage waterdruk toch water kon betrekken.

Waar in de negentiende eeuw nog zo’n vijftig man per spuit nodig waren, konden de motorspuit en de nieuwe slangenwagens met slechts acht mensen worden bediend. Het stadsbestuur vond het daarom tijd voor een modernere organisatie. De inzet van burgers bij branden werd overbodig, en de stad kon vertrouwen op een kleinere maar gedreven groep vrijwilligers. Op 28 augustus 1913 werd de gemeentelijke vrijwillige brandweer van Goes officieel opgericht.

Verordening

In het najaar werd de organisatie van de vrijwillige organisatie in een verordening vastgelegd. Volgens het nieuwe ontwerp bestaat het korps uit de volgende brandweerlieden:
• Generale Brandmeester, de heer De Beste
• Adjunct Generale Brandmeester, de heer Korstanje
• 1 brandmeesters en 1 onderbrandmeester voor de motorspuit
• 2 brandmeesters en 2 onderbrandmeester voor slangenwagen I en II
• 26 brandgasten waarvan 8 spuitgasten
• 3 boden der brandweer
• 1 hoofdman der brandwacht en een plaatsvervanger
• 14 brandwachten

De brandwacht bestond uit een groep notabelen die bij brand de orde handhaven en onder andere zorgen dat het publiek niet te dicht bij het vuur komt. Zij hielden zich niet bezig met redding en blussing.

Naast het vastleggen van de brandweerorganisatie bevatte de verordening ook tal van brandpreventieve voorschriften. Zo moest as worden bewaard in onbrandbare emmers en mochten bedrijven brandgevaarlijke werkzaamheden uitsluitend overdag uitvoeren. Daarnaast werden er gedragsregels opgenomen voor de vrijwilligers. De spuitgasten waren verplicht deel te nemen aan oefeningen en dienden altijd gehoor te geven aan de bevelen van hun meerdere. Ook werd het verboden om “aan hen die met de blussching belast zijn, sterke drank af te geven of te verkoopen”.

Bommen tijdens de Eerste Wereldoorlog

In verband met de oplopende oorlogsdreiging werd op 31 juli 1914 in Nederland een algehele mobilisatie afgekondigd. Alle militairen moesten zich op 1 augustus melden bij hun kazerne. Het leger bestond toen uit drie onderdelen: de militie (het veldleger), de landweer (die bewaakt de grens, de kust, bruggen, spoorwegen, etc.) en de landstorm.

Hoewel Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal bleef, bleef Goes niet geheel ongeschonden. De stad kreeg te maken met zogenaamde ‘vergissingsbombardementen’. Het gebruik van vliegtuigen voor oorlogsvoering was nog nieuw en de bommen bestonden uit granaten die piloten handmatig uit het vliegtuig gooiden. De navigatie was primitief en regelmatig raakte een piloot de weg kwijt, waardoor bommen op de verkeerde plek terechtkwamen.

Vluchtelingen

Tijdens de strijd om Antwerpen en na de val van de stad op 9 oktober 1914 nam de vluchtelingenstroom uit België ongekende vormen aan. Tienduizenden Belgen trokken naar Zeeland om veiligheid te zoeken. Ook in Goes werden Belgische vluchtelingen opgevangen.

Granaten op Goes en Kloetinge

Vlak voor de Kerst, op 22 december 1917, gooide een Engels vliegtuig per ongeluk zeven schrapnels op Kloetinge en de Goese binnenstad. Een schrapnel is een granaat gevuld met loden of stalen kogels.

Drie granaten kwamen terecht in het open veld bij Kloetinge. De woning van De Looff aan de Kleine Kade kreeg een voltreffer, terwijl iets verderop een tweede bom op een stalen motorboot viel. De materiële schade aan de kades was enorm. Drogist Jacob Visser, die tijdens de eerste inslag naar buiten ging om te kijken wat er aan de hand was, werd zwaar gewond aan zijn buik door scherven van de tweede ontploffing. Twee dagen later overleed hij in het ziekenhuis van Middelburg. Hij liet, naast zijn vrouw, zes minderjarige kinderen achter.

Een zesde schrapnel ontplofte op het orgelmagazijn van de firma Giesen in de Magdalenastraat, terwijl een laatste granaat boven de Westvest explodeerde. Politie en landweer waren snel ter plaatse om de getroffen gebieden af te zetten en verdere slachtoffers te voorkomen. In totaal liepen zestig panden, een kerk, twee schepen en een boomgaard schade op. Begin 1918 voerde de gemeente daarom een verduisteringsplicht in.

Wapenstilstand

Op 11 november 1918, na vier jaar van strijd met meer dan 35 miljoen doden, werd uiteindelijk de wapenstilstand getekend.

Na de Eerste Wereldoorlog keerde er geleidelijk rust terug in Goes, maar de brandweer bleef alert. Tijdens het interbellum kreeg het korps regelmatig te maken met grote branden en noodgevallen. Ook de omliggende dorpen herstructureerden hun brandweer en vormden, net als in Goes, vrijwillige korpsen. Zo werd in de jaren 1920 tot 1939, tussen de twee wereldoorlogen, gewerkt aan een sterker en beter georganiseerd brandweernetwerk in de hele regio.

Lees hier meer over de brandweer in Goes van 1920 tot 1939
Gemeentearchief Goes
HistorievanGoes.nl
Kroniek Goese Brandweer
Krantenbankzeeland.nl
ZB Beeldbank Zeeland, record: 5411
Eerste Wereldoorlog.nu
Abonneer
Laat het weten als er
guest

0 Comments
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
Don`t copy text!
Scroll naar boven