De handbrandspuiten in Goes

Van blusemmer tot motorspuit

Tot rond de 17e eeuw was de emmer het enige middel om een brand te bestrijden. De emmers waren meestal vervaardigd van leer of zeildoek. Vanaf de waterkant vormden de burgers een lange rij en zo werden de brandemmers aan elkaar doorgegeven. We volgen de ontwikkeling van het Goese brandweermaterieel tot het jaar 1905, vlak voor de komst van de eerste motorspuit.

1 januari 1476 – 31 december 1905

Tot het einde van de veertiende eeuw was het blussen van brand een bijna onmogelijke opgave. Pas toen kwamen er leren brandemmers beschikbaar. De eerste vermelding van leren brandemmers in Nederland vinden we in de stadsrekening van september 1397 van de gemeente Sluis. Honderd lederen emmers worden aangekocht in Brussel en honderd geïmpregneerde manden in Gent, “Om daarmede water te dragen, als er brand rees binnen de stad, en dees daarmee to blusschen.”

Het blussen met emmers was bij een forse brand meestal zinloos, daarnaast was het doorgeven van de emmers vrij zwaar en vermoeiend. Veel effectiever dan blussen was het omhalen van de gevels van de naastgelegen gebouwen, zo kon voorkomen worden dat brand zich verder uitbreidt.

Van emmer naar brandspuit

Op 11 juni 1614 werd voor het eerst octrooi verleend aan Pauwels Auleander voor zijn “Spuit voor blusschen van brand, voor oorlogsdoeleinden en voor plantbesproeing”. Ondanks de veelzijdige functies was de uitvinding geen groot succes. Maar snel volgden er steeds meer fabrikanten die octrooi aanvragen op hun versie van de brandspuit. Deze spuiten zijn allemaal handbediende zuigerpompen. Ze werken als een soort grote injectiespuit met een handvat of hefboom voor de bediening. Ze kunnen maar een kleine hoeveelheid water bevatten en moeten telkens vanuit een emmer worden gevuld.

Een ander nadeel is dat de straalpijp vast op de spuit zit en er zo dus niet heel effectief geblust kan worden. Pas tegen het eind van de 17e eeuw kwamen er nieuwe modellen op de markt met slangen. De brandslangen stelden de spuitgasten in staat het vuur veel gerichter te bestrijden. De uitvinder hiervan is Jan van der Heyden uit Amsterdam. Deze Van der Heyden was een echte duizendpoot. Hij werkte eerst als spiegel- en lijstenmaker, daarna wordt hij kunstschilder. Ten slotte richtte hij zich op de techniek. Zo vindt Van der Heyden een nieuw model straatlantaarn uit. Maar hij is vooral bekend vanwege de uitvindingen voor de brandweer.

Spuit A en B

Na drie grote branden in 1698 werden alle burgers en ingezetenen van Goes dringend opgeroepen tot een vrijwillige bijdrage voor de aankoop van twee nieuwe brandspuiten. Uiteindelijk worden de spuiten besteld bij Brandspuitmaker Van der Heyden in Amsterdam.

De nieuwe Spuit A en Spuit B waren twee handpompen met twee lederen slangen van 15 meter. De slangen bestonden uit aan elkaar genaaide stukken leer. Pas in 1780 werden de lederen slangen vervangen door slangen uit waterdicht gemaakte hennepvezels. Deze slangen moesten, net als de leren slangen, na gebruik te drogen worden gehangen.

In de jaren 30 van de 18e eeuw werd er door stad Goes veel geïnvesteerd in brandweermaterieel. In 1736 worden voor de twee bestaande brandspuiten “twee sogenaamde aanbrengers of soogers” besteld. Een aanbrenger is een zuigpomp die open water, via leren slangen, naar de perspomp kan verpompen. De zuigpomp en de perspomp samen vormden een brandspuit.

De twee zuigpompen werden bij brandspuitmakers ‘Van der Heyden en Alnieuw’ besteld. Ten eerste een grote koperen zuigpomp met drie einden zuigbuis en daarnaast ook een kleine koperen zuigpomp met drie einden zuigbuis. De zuigslang kan in het water gehangen worden en zo voor een permanente aanvoer van water zorgen.

Extra brandspuithuis en brandweermaterieel in haven

In 1737 werd nabij meestoof ‘De Zon’ een extra brandspuithuis gebouwd vanwege het hoge brandrisico in de zoutketen. Hiervoor wordt een derde spuit en aanvullend brandweermaterieel besteld. Bovendien worden er voor deze spuit twee nieuwe brandmeesters aangesteld.

In november 1765 kregen de generale brandmeesters machtiging om de oude brandspuiten te laten nazien en, wanneer deze niet meer behoorlijk kunnen worden gerepareerd, nieuwe te kopen van de grootste soort. In juli 1768 bleken de drie brandspuiten in een slechte staat van onderhoud te verkeren. Uit het rapport van de Generale Brandmeester bleek dat bij de jaarlijkse oefening drie van de brandspuiten, de ene meer en de andere minder, hoogstnoodzakelijk moeten worden gerepareerd. De spuiten werden vervolgens door een brandspuitmaker in Middelburg gerepareerd.

Grote Spuit, Keetspuit, Nieuwe Spuit en Voorstadspuit

Eind 18e eeuw heeft Goes vier brandspuiten verdeeld over vier brandspuithuizen. Allereerst de Grote Spuit aan de noordzijde van het kerkhof rond de Grote kerk. Daarnaast de Keetspuit, gestationeerd bij de zoutketen en de Nieuwe Brandspuit bij de Oostpoort. Ten slotte wordt in de Voorstad de Kleine Spuit gehuisvest.

Kerktorenspuitje

In 1805 werden twee draagbare brandspuiten aangekocht. Dit type spuit was in 1997 uitgevonden door de Nederlandse onderzoeker Martin van Marum. De brandspuiten werden gemaakt bij instrumentenmaker J.H. Onderdewijngaart Canzius. Dat bedrijf kreeg er in 1807 opeens veel nieuwe klanten bij als koning Lodewijk Napoleon bepaalt dat alle plaatselijke besturen in het rijk draagbare brandspuiten moesten aanschaffen.

Enkele jaren later volgde een derde draagbare spuit om “bij ontdekking van brand aan den toren of aan het kerkgebouw, zoo veel doenlijk, zonder enig tijdverlies, bij den oorsprong water te kunnen aanbrengen”. Als bluswatervoorziening voor deze kerktorenspuit waren er twee betonnen waterbakken in de kerk aangebracht.

Op verzoek van de kerkmeesters van de Hervormde kerk besloot het Stadsbestuur in augustus 1822 de generale brandmeesters aan te schrijven om de kleine torenspuit, evenals de stadsspuiten, onder hun directie te nemen en voor de nodige reparaties te zorgen. De kosten werden voor de ene helft door de stad en voor de andere helft door de kerk gedragen.

Ander materieel

Uit een inventarisatie van het brandweermaterieel halverwege de jaren twintig van de 19e eeuw blijkt dat er naast de vier grote brandspuiten en de draagbare spuitjes nog meer materiaal in gebruik is. Er zijn 148 brandemmers, 12 haken, 12 waterzakken, 30 lantaarns, 2 bijlen, 2 paltte rieken, 8 fakkels, 16 touwen en 8 ladders. Maar deze ladders zijn door ouderdom vergaan en dus niet meer bruikbaar. Ze worden daarom later dit jaar vervangen en daarnaast worden er extra haken, lantaarns en stellingen besteld.

De brandmeesters gaven het Stadsbestuur in juli 1825 kennis dat de brandspuiten en blusgereedschappen een buitengewone vernieuwing en reparatie vereisen. De kosten daarvan werd begroot op 200 à 250 gulden. Gedeputeerde Staten keurden goed dat deze onvoorziene uitgaven ten laste van de post onvoorziene uitgaven wordt gebracht.

Stads Groote Brandspuit

In 1832 werd een aanbrenger aangeschaft. Deze kan bluswater opvoeren richting de spuit, hierdoor hoeven spuiten niet meer direct aan het water te worden opgesteld. Langs de stadswal werden diverse opstelplaatsen geschikt gemaakt voor de nieuwe aanwinst. Maar de brandemmers bleven onmisbaar. De emmers moesten onder andere beschikbaar zijn onder het Stadhuis, in het Gasthuis, het Weeshuis, de Sociëteit en in de brouwerijen. De eigenaren van de panden waren verplicht om deze altijd voorhanden te hebben en beschikbaar te stellen. De brandladders en haken waren onder het Stadhuis in de Oude Hal geplaatst. In april 1836 arriveerde bovendien de ‘Stads Groote Brandspuit’, een nieuwe volledige spuit met zuig- en perswerk geleverd door firma ‘A. Bikker’ in Rotterdam.

Paard en wagen

Normaal werden voor branden buiten de stad paarden gebruikt voor het vervoer van de spuiten. Maar het duurde vaak lang voordat deze paarden inzet gereed zijn. In 1844 trekken de brandweerlieden daarom zelf de spuit naar de brand van Meestoof Holland in Wilhelminadorp. Ook in 1854 wordt de Voorstadspuit op eigen kracht naar een brand in Kloetinge vervoert. Met mobieler maken van de pompen was een grote wens van de Ganzestadblussers. Een nooit gebruikt rouwwagentje, staande in een van de lokalen van de Stadsschuur, werd omgebouwd tot wagen voor de Nieuwe Spuit. In 1845 werd een wagen voor het vervoer van een perspomp aangeschaft. Hierdoor kunnen de spuiten een stuk makkelijker door de spuitgasten ter plaatste getrokken worden.

In juli 1846 kregen de generale brandmeesters machtiging voor de aankoop van twaalf linnen brandemmers voor de Sociëteit Spuit.

Grote Kerk als centraal punt voor brandweermaterieel

De vier brandspuiten verhuisden in 1856 naar een daarvoor ingericht, afgesloten gedeelte van de Grote Kerk. Het is namelijk wenselijk om het brandweermaterieel te concentreren op één plaats. De brandweer in de gemeente bestaat in de jaren 60 van de 19e eeuw uit vier stel brandspuiten. Een brandspuit bestaat uit een aanjager (zuigpomp) en een blusser (perspomp). De spuiten hebben vanaf dat jaar ook geen namen meer, maar een nummer en afdeling. De 1ste afdeling van de brandspuit had zorg voor de blussing, de 2de voor toevoer van het bluswater.

In november 1864 besloot de gemeenteraad op verzoek van de Generale Brandmeester Liebert hem te machtigen om in 1865 een aanbrenger voor spuit nummer 4 aan te schaffen, een overbodig geworden zuigpomp werd verkocht. Ook in augustus 1865 werden vernieuwingen aan de brandspuiten gedaan. Voor 170 gulden werden ongeveer honderd el geweven aanvoerslangen en daarnaast 40 el persslangen aangeschaft. Voor de huur van een bergplaats voor de brandspuiten in het koor van de Grote Kerk werd bovendien honderd gulden uitgetrokken.

De dorpsspuiten

Tot 1970 zijn Kloetinge, Kattendijke, Wolphaartsdijk en ‘s-Heer Arendskerke nog aparte gemeentes. Elk dorp had daardoor zijn eigen brandweerorganisatie. Zo had ook het dorp ‘s-Heer Hendrikskinderen zijn eigen brandspuit. Gemeente Wolphaartsdijk had zelfs drie spuiten, twee in Oostkerke en één in Oud-Sabbinge. De Wilhelminapolder was deel van de gemeente Kattendijke en had in 1819 al een eigen bedrijfsspuit. Van de brandspuit uit 1871 van Kloetinge is nog een oude foto beschikbaar.

Brandweermaterieel in 1877

Goes bezat in 1877 vier slangenbrandspuiten met pompstokken naar het model van Jan van der Heijden, met paard of handgetrokken en met een vermoedelijke wateropbrengst van 300 à 400 liter per minuut. De brandspuiten waren zelfaanzuigend. Het pompen met de pompstokken kostte veel kracht en dit kan de gemiddelde spuitgast maximaal 15 minuten volhouden, daarna moet aflossing plaatsvinden. Daarom bestond de brandweer in Goes uit 400 manschappen.

De grootste verandering in organisatie en brandweermaterieel van de Goese brandweer vond plaats begin de 20e eeuw. Een organisatorische janboel bij een brand aan de Kleine Kade bracht veel teweeg. Onder andere werd hierna een motorspuit aangeschaft. Voor deze spuit waren veel minder mensen nodig. Hierdoor kon het korps inkrimpen en als een vrijwillig korps verdergaan.

Lees hier meer over de brand aan de Kleine Kade
Lees meer over de eerste motorspuit van brandweer Goes
Gemeentearchief Goes
Nationaal Brandweermuseum te Hellevoetsluis
Heemkundige Kring De Bevelanden
Goesche Courant
Amsterdam Museum
Abonneer
Laat het weten als er
guest

0 Comments
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
Don`t copy text!
Scroll naar boven